Historie

Geschiedenis van het leger in Suriname

 

 

Reeds bij de vestiging van de eerste plantages in Suriname werd duidelijk dat de jonge kolonie zich moest beschermen. Niet alleen tegen aanvallen van buitenaf maar ook tegen binnenlandse aanvallen. Menige kolonisatiepoging is vooral hierdoor mislukt. Waren het eerst de Indianen die zich verzetten tegen de overheerser, later vormde ook de weggelopen slaven, Marrons, een verzetsbeweging waarmee rekening gehouden moest worden.

 

Het eerste echte fort kwam in 1640 aan de Surinamerivier waar nu het Fort Zeelandia staat. Dit werd bemand door een burgermilitie. Doordat dit weinig effectief was waren de verschillende gouverneurs genoodzaakt geoefende militairen in te huren. Maar ook dit voldeed niet aan de verwachtingen. Toen bijvoorbeeld gouverneur van Sommelsdijck in Suriname aankwam, trof hij een garnizoen van ongedisciplineerde en vaak dronken soldaten aan, zonder munitie of geschut.

 

Na verschillende aanvallen van buiten zoals die van de Franse admiraal Cassard, die na zijn tweede inval de kolonie grote schade toebracht, werd uiteindelijk besloten om het Fort Nieuw- Amsterdam te bouwen. Hieraan werd dertien jaar lang gewerkt.

De bedoeling hiervan was de kolonie te verdedigen tegen buitenlandse vijanden.

 

Tegen het binnenlandse verzet waren de huursoldaten niet bestand. Daarom werd in 1770 het "Korps vrije negers en mulatten" opgericht door de dienstplicht onder de gekleurde vrije bevolking in te voeren. Dit weinig populaire korps werd vervangen door het "Korps zwarte jagers" opgericht in 1772, dat bestond uit door de kolonie aangekochte slaven die hun vrijheid verdiendenden met hun dienst. Deze jager droeg aanvankelijk een groene muts, die echter door een rode (het zinnebeeld der vrijheid) vervangen werd, toen enige groene mutsen in handen van de Marrons gevallen waren. In de volksmond werden deze jagers vanaf toen "redi musu" genoemd.

 

Door de vrijwording van de slaven in 1863 moest de oude organisatie van de schutterij, die voor een belangrijk gedeelte op de levering van slaven als schutternegers en lastdragers was ingesteld, worden herzien. Een schutterij gebaseerd op vrije burgers werd georganiseerd, maar deze schutterij werd niet populair en heeft ook nooit meer het oude peil bereikt.

 

De landsverdediging is dus sedert de laatste honderd jaren- met uitzondering van de Tweede Wereldoorlog - feitelijk uitsluitend in handen geweest van een geregeld leger, dat door Nederland werd betaald; eerst behoorde het tot de West- Indische Koloniale Troepen, later  tot het Koninklijke Nederlands Indisch Leger en  vanaf 1951 tot de Koninklijke Landmacht.

 

Als gevolg van het statuut van het Koninkrijk de Nederlanden werd Suriname in 1954 autonoom. Echter werd ten aanzien van de defensie van het land bepaald dat dit een koninrijks aangelegenheid zou blijven. Deze Troepenmacht in Suriname (TRIS) had als belangrijkste taak de economische belangen van Nederland te beschermen. Nadat in 1971 de dienstplichtwet werd aangenomen in het Surinaamse parlement, werden ook Surinaamse jonge mannen onder de wapenen gesteld.

 

Op 25 november 1975 ging de TRIS over in de Surinaamse Krijgsmacht (SKM). Gelet op de korte voorbereidingstermijn, werd uit praktische overweging besloten het model van de TRIS in hoofdzaak te volgen. De taken van het leger werden dus niet gewijzigd.

 

Bij de onafhankelijkheid in 1975 werd de SKM officieel bij wet ingesteld. De instelling van de SKM vloeide voort uit wat er in de Grondwet van de Republiek Suriname van 1975 stond, n.l. dat het verdedigingsbeleid wordt gevoerd door de regering. Tot de onafhankelijkheid was dat een taak van het Koninkrijk der Nederlanden. De Krijgsmacht had de volgende taken:

  • Handhaving van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Suriname
  • Verlenen van bijstand aan de politie
  • Verlenen van hulp ter voorkoming van rampen en bij de bestrijding van de gevolgen daarvan
  • Voorbereiden en uitvoeren van projecten i.v.m de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname
  • Verzorgen van opleidingen i.v.m de technische kadervorming t.b.v de sociaal-economische ontwikkeling

 

De Krijgsmacht voerde deze taken uit onder verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag en in overeenstemming met de wet. Er bestond geen Ministerie van Defensie;

Er was een zogeheten coördinatiecentrum 'Defensieaangelegenheden'. De dienstplicht, die voor de onafhankelijkheid al bestond, bleef bestaan.

   

Vanaf de overgang naar de SKM waren er enkele problemen. Zo begon de SKM met onvoldoende gekwalificeerd personeel en het reeds verouderde, van de TRIS overgenomen, materieel. Het was ook niet meer mogelijk om op een gevestigde, groter militaire organisatie terug te vallen. Hierdoor kon niet voor alle problemen een oplossing gevonden worden. Ook het uitblijven van een tegemoetkoming in de meest dringende voorzieningen heeft frustratie tot gevolg gehad en leidde tot akties van de onderofficieren in januari 1979 en een staatsgreep op 25 februari 1980. Om het nationale karakter van het leger beter tot uitdrukking te brengen werd de naam van het Surinaamse leger veranderd in het Nationaal Leger. Dit werd echter niet geformaliseerd in een wet. Er werden ook geen nieuwe taken bij wet vastgesteld. Het leger kwam te vallen onder het departement van Leger en Politie (sinds 1982).

 

In 1987 werd een nieuwe Grondwet aangenomen, waarin o.a. stond dat het Nationaal Leger de militaire voorhoede was van het volk en tot taak had de verdediging van de soevereiniteit en zelfstandigheid, evenals het beschermen van de hoogste rechten en vrijheden van land en volk.  In juli 1988 werd het Ministerie van Defensie ingesteld dat de zorg kreeg voor de krijgsmacht.

 

In 1992 vond er een grondwetswijziging plaats waarbij het Nationaal Leger de volgende taken kreeg:

-          verdediging van de souvereiniteit en de territoriale integriteit van Suriname tegen           

           buitenlandse gewapende militaire agressie

-          de mogelijkheid tot belasting met bijzondere taken, die bij wet geregeld dienen te worden

 

Het leger oefent zijn taak uit in verantwoordelijkheid van en in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels. De inrichting van het Nationaal Leger en de rechtspositie van de militairen dienden bij wet geregeld te worden. De dienstplicht werd bij deze grondwetswijziging opgeschort.

 

De zaken die bij wet geregeld moesten worden, zijn in 1996 aangenomen door de Assemblee en in werking getreden. Deze wetten zijn de Wet Rechtspositie Militairen en de Wet Nationaal Leger. De Wet NL geeft de bijzondere taken van het Leger aan, n.l.:

-          bewaken van de grenzen;

-          verlenen van bijstand aan de politie;

-          verlenen van hulp en bijstand ter voorkoming van rampen en ongevallen en

           de bestrijding van de gevolgen daarvan;

-          verlenen van bijstand bij de bewaking van de economische zone en het continentaal plateau;

-          verlenen van bijstand bij het voorbereiden en uitvoeren van projecten i.v.m.

           de sociaal-economische ontwikkeling;

-          verlenen van bijstand aan internationale organisaties.

 

Verder zijn de inrichting en organisatie van het NL in deze wet vastgelegd. De Wet Rechtspositie Militairen geeft regels over de rechtspositie van militairen, die nader zijn uitgewerkt in een aantal uitvoeringsbesluiten.

 

Volgens de wettelijke regelingen voert de President van Suriname het opperbevel der strijdkrachten. De Minister van Defensie is belast met het beheer over en de toezicht op, de uitoefening van de taken van het leger. De bevelhebber is belast met bevelvoering van het leger. Wij kennen binnen het leger de Landmacht, Luchtmacht, Marine en Militaire Politie.

 

De taak van het Nationaal Leger is het verdedigen van de soevereiniteit en de territoriale integiteit. Dit betekent de verdediging van het grondgebied van de Republiek Suriname, de territoriale wateren en het luchtruim daarboven. De binnenlandse veiligheid is primair een van de taken van het KPS. Echter kan het leger ook hierbij ingezet worden. Verder zal het leger ook steeds meer moeten bijdragen tot de ontwikkeling van het land.